Als ervaren doordenker spoken er vaker dan goed voor me is verbasteringen, neologismen en taalhobbels door het hoofd. Wellicht lees ik te veel. Misschien is het een vreselijke afwijking, waaraan ik uiteindelijk moet worden geholpen. Bijkans elk woord geeft mijn hersenen aanleiding tot het opzetten van een uitvoerig onderzoek. Waarom klinkt “rododendron” als een middel dat je bij de drogist haalt tegen vastzittende hoest? Wie heeft er in hemelsnaam “sfeer” verzonnen? Zomaar omdat het kan, een f naast de eerste letter plaatsen, alsof er al niet genoeg met consumptie gesproken wordt. Dat verpest, ironisch genoeg, meer dan eens de sfeer.
De juiste ambiance is meestal genoeg om een bepaald beeld neer te zetten, betreffende een woord. Zo ook bij de eerste keer dat ik lucht kreeg van het bestaan van de Dikke Van Dale. Ik was een jaar of zes, misschien zeven, toen ik thuiskwam van school. De televisie stond aan, mijn vader zat er al zappende voor. Toen hij snel tussen twee kanalen wisselde, hoorde ik iets dat me zeer vreemd in de oren klonk: “dikke vandalen.” Oprecht bezorgd, begon mijn brein overuren te draaien. Zou een groep corpulente medemensen het niet meer pikken dat ze gepest worden met hun gewicht? Hebben ze zich verlaagd tot het niveau van de gemiddelde hooligan en trappen ze in het holst van de nacht gemeente-eigendommen aan gort? Ik bereidde me voor op het ergste…
Zonder enige vorm van context of logica en volkomen bij toeval, stond vanaf dat moment “Dikke vandalen” in mijn geheugen gegrift. De wraak van een splintergroepering met overgewicht bleef uit: de beeldspraak leefde echter voort totdat het moment aanbrak dat ik van mijn lerares de opdracht kreeg om een woord op te zoeken in de Dikke Van Dale. De beste mevrouw had Confucius aan haar zijde, wat haar in staat stelde om de taal voor eens en altijd te zuiveren, míjn taal althans: ‘De Dikke Van Dale is een woordenboek, Jeroen.’ Ach, een wóórdenboek! Het kwartje viel.
Ondanks mijn liefde voor de Nederlandse taal, pretendeer ik niet dat ik een hoogbegaafd woordgoochelaar ben. Ik heb genoeg zelfkennis om te beseffen dat ik het meer van mijn enthousiasme moet hebben, dan dat ik kan refereren naar een al dan niet aanwezige taalknobbel. Zodoende vind ik het geen punt als men al schrijvende uitglijdt over grammaticale bananenschillen. Zelf ga ik immers regelmatig onderuit dankzij dergelijke gele glibbervruchten.
Wat ik echter moeilijk kan verkroppen, is hoe onbedachtzaam sommige mensen omspringen met onze taal. Een fout? Even goede vrienden. Maar woorden fabriceren als “Misgien,” “Neej”, of “Iemant,” gaat me te ver. Ik begrijp dat het er gemakkelijk insluipt, vooral bij de generatie die is opgegroeid met een iPad in de wieg. Ook snap ik dat “Tog” gemakkelijker is om te spellen dan “Toch,” maar die logica kan overboord als je naar de volkomen nutteloze toevoeging kijkt van de letter j aan het woord “Neej.” Laatst sprak ik een dergelijke woordenbeul aan op haar nogal typische manier van spellen. “Het maakt toch niet uit hoe ik het schrijf? Je snap toch wat ik ermee bedoel?”, was het tenenkrommende antwoord van mevrouw.
Eenmaal bekomen van de schrik, dacht ik terug aan mijn eerste ervaring met de Dikke Van Dale. Ook ik had het bij het verkeerde eind door te denken dat het dikke vandalen betrof, maar ik heb geleerd van mijn fout. Personen die denken dat je een willekeurige woordenbrij op papier kan gooien, zolang er maar een soort van rode draad in valt te ontdekken, leren nimmer hoe het moet. Zo wil ik niet worden. Daarom val ik met alle plezier en meer dan eens terug op dat fijne woordenboek, dat eens zo’n enorme verwarringsbron voor me was.

Leave a Reply