Came in from a rainy Thursday on the avenue
Thought I heard you talking softly
I turned on the lights, the TV, and the radio
Still I can’t escape the ghost of you
Onderweg naar een date. Schemerdonker, geen mens op straat. Gekleed in mijn fraaiste blazer en geparfumeerd in een hemelse Eau de Cologne. Op de achtergrond een perzikkleurige, ondergaande zon. Eén laatste blik op mijn horloge – het is tijd. Mijn wandeling wordt ruw onderbroken door een felblauw licht, dat de hemel uiteen lijkt te splijten. De straal slaat me neer en ik lig hulpeloos op straat. Ik ben klaarwakker, maar kan me niet bewegen. In een flits word ik meegenomen. Omhoog. Is dit het einde?
Zonder het idee te hebben dat ik buiten westen ben geweest, maar met het gevoel dat ik een deel van mijn herinneringen kwijt ben, lig ik op een fluweelzacht bed. Ik weet niet hoe ik er terecht ben gekomen. Mijn synapsen ontwaken langzaam en de omgeving krijgt vorm. Ik bevind me in een zilvergrijze, maar tegelijk ook goudkleurige kamer. Nee, geen kamer: een cel. Een luxe cel, maar desalniettemin een cel. Zodra mijn ogen zich hebben geacclimatiseerd, zie ik een slanke, bijna lilakleurige vrouw staan. Of is het huidskleur? De combinatie van lichtinval – die ik niets anders dan een anomalie kan noemen – en mijn slaapdronken gestel spelen me parten. Net zoals de pretoogjes van het wezen. Het is verre van een mens, maar tegelijk niets minder dán een mens. Toch kijkt ze me aan alsof ze me in één blik heeft doorgrond. Slechts een flinterdun ogende barrière scheidt mij van haar. Ik wil haar aanraken. Ik vergeet terstond dat ik hier tegen mijn wil ben. Is dat zo? Het voelt niet alsof ik hier niet wil zijn…
‘Je bent perfect’, zegt het mooiste schepsel van het universum. Ze opent mijn cel met een zachte beweging. Ze gaat naast me zitten en legt haar satijnen hand op mijn been. Inderdaad, ik WIL hier zijn. Ze kijkt me indringend aan, alsof ze ter plekke al mijn geheimen onthult maar al mijn misstappen vergeeft. ‘Je bent het niet’, klinkt het. Ze draait zich om en begeeft zich naar de kamer aan de overkant. De deuren openen zich zodra ze in de buurt komt en ze geeft me een bewuste glimp in het vertrek. Op het bed ligt een gebronsd wezen, gepokt en gemazeld met ontelbare littekens. Ze vlijt zich neder op zijn naakte lichaam. Haar japon gaat uit, de deuren gaan dicht. Mijn geest breekt.
De volgende ochtend – maar het kan ook een eeuwigheid later zijn – stapt ze wederom mijn cel binnen. Ze is nog mooier dan de vorige keer. ‘Jij bent de Alfa en de Omega’, klinken haar zoetgevooisde woorden. ‘Maar je bent het niet’. ‘Je hebt de keuze om te gaan wanneer je dat wilt’. Ze trekt zich terug in haar kamer en gunt me wederom een blik. Het donkere schepsel, waarmee zij eerder de nacht (nachten? Weken? Eeuwen?) heeft gedeeld, zit bebloed op haar bed. Hij adoreert een schedel, waaruit hij drinkt. Verschrikt kijkt de lila muze naar het schouwspel. Haar gruwel slaat om in verlangen…de deuren sluiten.
Talloze kansen om te vertrekken, laat ik aan me voorbij gaan. Eén blik op haar is oneindig veel beter dan tot het einde van mijn dagen alleen. Elke dag (Maand? Jaar?) bezoekt ze mijn cel. Telkens dezelfde woorden. Ze belooft niets, maar zegt alles. Totdat ze plots weg blijft. Eindelijk – eindelijk – komt ze terug. Ze vertelt over het gebronsde wezen. Over zijn misdaden, zijn aantrekkingskracht en zijn obsessie voor de dood. ‘Ik wil het niet horen’, jammer ik. Maar mijn stem is slechts een vluchtige schim. ‘Ik wil niet, maar ik ga toch’, stamel ik. Ik loop de cel uit. Kijk niet meer om. Ik vertrek. Felblauw licht…
Geen minuut lijkt te zijn verstreken sinds mijn Beklimming, mijn reis naar het Huis van de Godin. In dezelfde kleding en omgeven door dezelfde geur, vervolg ik mijn weg. Mijn ziel weegt zwaar.
But I won’t cry for yesterday, there’s an ordinary world
Somehow I have to find
And as I try to make my way to the ordinary world
I will learn to survive

Leave a Reply