Het woord jeugdpuistje impliceert dat enkel adolescenten hinder ondervinden van de pukkelige nachtmerrie die acne heet. Ik heb ze ook wel eens, en ik ben eerder veertig dan dertig. Op mijn vijftiende meende de huisarts te weten dat ze na mijn zeventiende wel zouden verdwijnen. Technisch gezien had hij gelijk; achtendertig is ook na je zeventiende.
Hoewel ik er veel hinder van heb ondervonden en het niet goed is voor je zelfvertrouwen, kan ik er af en toe best om lachen. En zoals bij veel gebeurtenissen is het stiekem fijner als het een ander overkomt. Zo zat ik in de trein tegenover een man, die minimaal drie keer de zeventien was gepasseerd. Op het topje van zijn neus pronkte een kanjer van een witte kop. Zo één die je als bubbelplastic kapot wil maken. De man zat voornamelijk verscholen achter een stripboek, maar zo nu en dan stak de pukkel zijn bleke hoofd boven het papier uit – als een timide puberzangeres die maar al te graag wilde doorbreken.
De karbonkel was zodanig prominent aanwezig, dat ik me genoodzaakt voelde om er wat van te zeggen. Iets weerhield me hiervan. Waarschijnlijk omdat ik ervaring had met de schaamte die het met zich meebrengt. De coupé zat behoorlijk vol en ik wilde de beste man niet voor schut zetten. Natuurlijk stond hij al voor schut met de Vesuvius op zijn kokkerd, maar ik wilde het niet erger maken dan het al was. Ik liet hem in de waan dat hij een perzikhuidje had en besloot muziek op te zetten.
Een krakerige lach baande zich een weg door mijn oordopjes. Het was de stripboek lezende, pokdalige man. Zijn comic bleek bijzonder geestig. Hij schaterde zodanig dat hij in een reflex zijn wijsvinger tegen de onderzijde van zijn neus duwde. Een luide – veel luider dan ik ooit had durven vermoeden – KNAK! doorkliefde de stilte van de coupé. Vesuvius bleek een actieve vulkaan. Gegeneerd greep de man naar zijn neus en in zijn ogen zag ik een mengeling van ontreddering en walging – als een mix van pus en bloed. Zijn hoofd kleurde rood en hij greep vliegensvlug naar een zakdoek die hij in zijn jeans had verstopt. Na het nodige poetswerk keek hij schichtig om zich heen. Had iemand het gezien? Jawel, iemand had het gezien.
Zoals vaak in ongemakkelijke situaties, kom je de persoon wie dit overkomt nogmaals tegen. Zo zat ik nog zeker een halfuur tegenover hem. De dag daarna zag ik hem op het perron. Er zat een korstje op zijn neus. Hij keek me aan. Hij wist het. Ik voelde het. Mijn hart bonsde als een overrijpe puist in mijn borstkas. En alsof mijn aanwezigheid het Pavlov effect in hem losmaakte, krabde hij terstond aan zijn neus. Zijn gezicht kleurde wederom rood. Arme man. Voor het leven getekend.

Leave a comment