‘Hahaha! Ja! Muahahaha!’
Luidkeels bulderend kwamen mijn gesprekspartners binnengevallen. In verband met de afwezigheid van mijn collega, bleek ik de aangewezen persoon om aan te sluiten bij een overleg met een stel heren uit het noorden van het land. Mijn business casual kloffie stak schril af tegen hun strakke pakken en hoewel ik ze minimaal acht jaar jonger schatte dan mezelf, kwamen ze zeer volwassen over. Op dat gelach na.
Bij toeval zat ik tussen beide mannen in. Dit was niet handig, want één van hen moest een laptop bedienen die op de beamer zat aangesloten. Zodra ze naast elkaar zaten, bleek dat ze twee handen op één buik waren. Om elke grap, hoe afgezaagd ook, werd er geginnegapt en gegiecheld. Daarnaast waren zij sterren in het bedenken van gevleugelde uitspraken. Zo hadden zij een gemakkelijke manier van het verwerken van persoonsinformatie bedacht. Ze hadden hiervoor ‘even snel’ een proefpersoon in het leven geroepen, genaamd Fransje Slag. ‘Hahaha, goed bedacht zeg!’
Ik haalde Fransje Slag voor de geest. Hoe zou Fransje eruitzien? Ik dacht op de één of andere manier aan de vrouwelijke variant. Een dame kan immers ook Fransje heten. Is ze heel koket, of berooid en wandelt ze rond in een Roy Donders huispak? Vleesgeworden Fransje werd steeds meer driedimensionaal. Zou ze het fijn vinden dat er zo om haar wordt gelachen, of gaat ze in een hoekje zitten treuren? Verdorie, niemand komt aan Fransje! Laat haar met rust!
Geschrokken van mezelf werd ik het gesprek ingezogen, een residu van boosheid nog sluimerend door mijn synapsen. Ze waren nog niet helemaal in focus, toen me een vraag werd gesteld die ik niet kon plaatsen. Iets van hoe ik het zou doen. ‘Met de Franse slag’, grapte ik. Er werd smakelijk om gelachen. Ik werd spontaan één van hen. Fransje werd het lijdend voorwerp. Ze werd door mij voor de scherp geklede haaien gegooid. ‘Ik dacht dat ik je kende’, jammerde Fransje. Haar donkerbruine ogen werden blauw van de tranen. Er zwommen haaien in.

Leave a comment