Lang geleden volgde mijn vader een training. De naam is me ontschoten maar het was iets met veiligheid op de werkvloer. De zaak had voor hem een Philips Cd-i geregeld, een apparaat dat destijds niet kon wedijveren met bijkans alle andere computersystemen van een jaar of vijf ouder. Daarbij geleverd kreeg hij een CD, waarop hij op interactieve wijze een x aantal vragen moest afwerken. Het varieerde van simpele dingen als ‘mag ik mijn pantoffels aan als ik met loodzware materialen aan het sjouwen ben?’ tot ‘als mijn winkel in de fik staat, ben ik dan verdoemd?’ Dat laatste was het geval, toen mijn vader met de aftandse bediening van de Cd-i trachtte zijn virtuele medewerkers in veiligheid te brengen. Keer op keer ging de toko in vlammen op.
De opdracht die hij moest voltooien, bestond uit een aantal stappen die gebaseerd waren op eerdere vragen in de training. Het was een kwestie van de juiste volgorde aanhouden en vooral KALM BLIJVEN. Dat KALM BLIJVEN ging mijn vader niet goed af, vooral niet omdat er na elke foutieve handeling een man door de speakers galmde met de kreet U MOET NU WEL SNEL HANDELEN.
Kalm blijven en wel snel handelen, het staat haaks op elkaar. Los van het feit dat de training van mijn pa me altijd is bijgebleven, zit ik zelf vaak in deze tweestrijd. In de supermarkt werd ik laatst bijna van mijn sokken gereden door een mevrouw in een scootmobiel. Ze zette hem in zijn achteruit, net toen ik vlees uit de koeling wilde pakken. Ik zag haar langzaam maar zeker naderen. Ze toucheerde reeds mijn winkelwagentje en reageerde niet op mijn ‘eh, mevrouw?’ Toen mijn wagentje de druk niet meer aankon, tikte haar man haar op de schouder en zei dat ze ergens tegenaan reed. Zonder om te kijken zette ze koers naar voren. Terwijl zich dit afspeelde, bleef ik denken aan KALM BLIJVEN. Tegelijkertijd dacht ik aan het ergste scenario wat zich kon voordoen: geplet worden door een dame in een scootmobiel als ik niet snel genoeg zou handelen. Ik zag mezelf platgeperst liggen tussen de worsten en het rundergehakt. En dat de winkelbediende het verschil niet meer ziet tussen mij en goulash en een sticker op mijn verminkte lichaam zou plakken: WIJ GOOIEN LIEVER NIETS WEG! 5 EURO.
Ik blijf altijd tussen hoop en vrees hangen op dergelijke momenten. Moet ik kalm blijven? Moet ik nu wel snel handelen? Vaak komt er iets halfslachtigs uit voort, zoals onhandig iemands hand willen schudden terwijl deze eigenlijk een high five probeert te geven. In mijn hoofd speelt het juiste scenario af maar in de praktijk pakt het slecht uit. Zo stond ik een week later andermaal in de supermarkt, bij de kassa dit keer. De caissière vraagt of ik koopzegels wil, waarop ik antwoord met ‘ja hoor, die lust ik wel!’ In mijn hoofd werd de correcte zin afgespeeld maar net op dat moment besloot mijn brein om een hersenscheet te laten. Bedankt.
Zelfs terwijl ik dit schrijf ontstaat er een tweestrijd. Hoe sluit ik deze column af? Blijf ik kalm en brei ik er een concreet einde in met een nuttige boodschap? Het antwoord op de dualiteit van rust en onrust? Of handel ik snel en raffel ik het af? Ik kies voor het laatstgenoemde.

Leave a comment